Op de fiets door Zuid-Albanië Raki als ontbijt en ongeëvenaarde gastvrijheid

De Albanese UNESCO-route

"Is dit wel verstandig?", vraagt Stefan als er om acht uur ’s ochtends een glaasje zelfgestookte raki voor onze neus staat. Maar verstandig of niet, we ontkomen er niet aan. Hier weiger je niet zomaar een geste van gastvrijheid en al helemáál niet als die van de eigen pruimenboom en uit eigen stookketel komt. Welkom in Albanië.

Wil je deze reis zelf maken? Bekijk hem hier

Balkanbenzine

Aan de andere kant van de tafel glimlacht meesterdistillateur Gjergji tevreden. Hij spreekt geen woord Engels, wij geen woord Albanees. Toch begrijpen we elkaar prima. Hij staat erop dat we zijn huisgemaakte Balkanbenzine (49% alcohol) proeven voordat we vertrekken.

We zijn in een sfeervol guesthouse in Rehovë, een bergdorpje in het zuiden van Albanië, tegen de imposante Gramozberg geplakt. Gisteren kenden we Gjergji en zijn vrouw Valentina nog niet, vandaag zwaaien ze ons uit alsof we familie zijn.

“Komen jullie nog eens terug?!”, roepen ze ons na als we langzaam maar zeker de remmen loslaten en door het oude, geplaveide straatje onze weg vervolgen naar de volgende bestemming. “Absolutely!”, roepen we in koor.

Een Nederlandse aandoening

De dag ervoor staan Stefan en ik aan de rand van het  indrukwekkende meer van Ohrid. Achter het water, aan Noord-Macedonische zijde, rijzen de bergen op. Mooi, vinden we. Tot de weg daadwerkelijk omhoog begint te lopen.

"Staan we dan met ons NAP 0-syndroom," concludeer ik na de eerste lange klim, nu nog met de auto nota bene, die ons naar startplaats Korçë brengt. Voor ons is iedere meter omhoog een kleine uitdaging.

Een typische Nederlandse aandoening. Symptomen: denken dat je fit bent, totdat je in een land komt waar vlakke wegen net zo zeldzaam zijn als een snelle lunch van brood en een plakje kaas.

Ultieme rust en oorverdovende stilte

Eenmaal onderweg op de fiets worden kersen, pruimen en abrikozen verkocht vanuit eenvoudige stalletjes langs de weg. Een man met een neus als een getrommelde baksteen overhandigt ons een tasje vol vers fruit, voor nog geen 200 Lek (zo’n 2 euro).

Ons tempo ligt laag, want er is veel te zien: uitgestrekte groene valleien, besneeuwde toppen aan de horizon en bermen die onze aandacht trekken omdat ze onze neus vullen met de verrukkelijke geur van wilde tijm en rozemarijn.

We remmen af voor een vos die de weg oversteekt. Verder zien we niemand en we genieten van de enorme rust en de stilte. En van het idee dat we overal kunnen afstappen, een kleedje kunnen neerleggen op het wegdek en daar probleemloos twee uur onafgebroken zouden kunnen picknicken.

Een tafel vol verrassingen

Zouden kunnen, want lunchen is in Albanië een serieuze zaak.

Bij ‘Agroturizem’ Sofra Kolonjare willen we stoppen we voor een snelle hap.

Anderhalf uur later zitten we nog steeds in de schaduw van de groene binnentuin. Op tafel verschijnen schalen met gegrilde groenten, huisgemaakt brood en boter, lokale kazen en gerechten waarvan we de naam vergeten zijn voordat ze op tafel staan. Zoals we bijna alle Albanese woorden vergeten voor we ze gehoord hebben. 

De eigenaar lijkt onze haast niet helemaal te begrijpen. Take it easy guys!”, buldert hij. Onze vraag óf we überhaupt nog wel kunnen lunchen om 3 uur ’s middags, stuitte daarvoor ook al op onbegrip: “Of course my friends, plenty food. No hurry, no worry!”

Nee, haast, daar doen ze hier niet aan. Of het moet op de overvolle toegangswegen tot Tirana zijn, waar automobilisten tankstations gebruiken als inhaalstrook en waar rode lichten en witte strepen op de weg slechts vage richtlijnen blijken.

De man met de hamer

De volgende dag leert Albanië ons nog een andere les: niet alles hoeft ingewikkeld te zijn.

Na uren fietsen onder dreigende onweerswolken, maar door een spectaculair berglandschap met haarspeldbochten, machtige uitzichten en steile rotswanden, begeeft Stefans fietsketting het.

Uiteraard als de regen met bakken uit de lucht komt vallen, en uiteraard onderaan een klim van 4 kilometer met een stijgingspercentage van 6 procent. Mijn reiscompagnon besluit er een intervaltraining van te maken en legt de klim afwisselend lopend en rennend af, met fiets in de hand.

Doorweekt en onderkoeld bereiken we uiteindelijk onze slaapplek voor die nacht. Eigenaar Valon ziet ons en haast zich naar de keuken. Binnen enkele minuten staat er dampende soep, een salade van vers fruit en groente én knapperig brood voor onze neus en liggen de handdoeken klaar. Hij rent vervolgens naar boven om onze kamer alvast op te warmen tot standje Sahara. “Nice and warm!”, voegt hij er voor de duidelijkheid aan toe.

Even later verschijnt Valons beste vriend. “Kijk, de man met de hamer”, fluister ik in Stefans richting. Het gereedschap in zijn hand ziet eruit als een erfstuk dat al 12 generaties lang in de familie is en al heel wat discutabele klusjes heeft geklaard. Normaal gesproken geen veelbelovend begin van een fietsreparatie.

Toch kijken Stefan en ik tien minuten later naar een perfect werkende ketting. De man zegt het niet, maar we kunnen het van zijn gezicht scheppen: “Zo doen wij dat hier, makkers.”

Hij kijkt nog even meewarig naar het fietsreparatiesetje dat we hebben meegekregen en stort zich weer op de klus waar hij mee bezig was: reparatie van de bedrijfsauto. Met zijn hamer.

Een berg die alles overheerst

De dagen daarna trekken we verder door naar het zuiden van Albanië.

We doen dat onder het wakend oog van de Nemërçka, een indrukwekkend kalksteenmassief langs de Griekse grens. Urenlang lijkt de berg ons te volgen. Onderaan stroomt de Vjosa, een van Europa's laatste grote vrij stromende rivieren. Het landschap voelt hier wild en leeg tegelijk.

Aan de voet van de Nemërçka laten we onze benen zakken in de warmwaterbronnen van Bënjë. Onder de eeuwenoude Ottomaanse brug dobberen we zwijgend in het verkwikkende water.

"Best een prima plek," zegt Stefan met gevoel voor understatement.

Twee uurtjes later lopen we alweer door de steile straatjes van Gjirokastër, de beroemde ‘Stad van de Stenen’, een toeristische hotspot. “Ook best een prima plek”, zeg ik als ’s avonds bij schemering in een van de sfeervolle straatjes een hap van mijn rizoto perime neem. De eerste slok van de rode wijn uit het nabijgelegen Leskovik bevestigt dat Albanië zich ook vanaf een terras prima laat verkennen.

Afkoelen

Ja, Albanië blijkt een land van abrupte decorwissels.

Nog geen dag dagen geleden reden we door mistflarden, langs besneeuwde toppen en herders die hun schapen bijeen dreven. Nu fietsen we tussen olijf- en citrusgaarden en schuiven we langs de Ionische Zee. Blauw, helder en steeds moeilijker te negeren.

De route langs de Albanese Rivièra behoort zonder twijfel tot de mooiste die we tijdens de reis fietsen. We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat dit één en hetzelfde land is.

Op onze laatste middag dalen we af naar een kleine baai die vanaf de weg nauwelijks zichtbaar is. Het pad ernaartoe is loeisteil, maar de beloning mag er zijn: koel, helder water, geen andere bezoekers en een stilte die alleen wordt onderbroken door het ruisen van de zee.

We springen het water in, dobberen op onze rug en voelen hoe de warmte langzaam uit ons lichaam trekt.

Verwachtingen onderuitgehaald

Een week lang hebben we geklommen, afgedaald, te veel gegeten, nauwelijks iets van de taal begrepen en ons toch overal welkom gevoeld. We hebben kettingen laten repareren met een hamer, raki gedronken op een tijdstip waarop thuis hooguit de eerste koffie wordt overwogen en geleerd dat “take it easy” soms het beste reisadvies is.

Albanië voelt op zulke momenten opeens heel eenvoudig. Niet omdat het land simpel is, maar omdat het precies doet wat een goede reisbestemming moet doen: je verwachtingen onderuithalen en daar iets beters voor teruggeven.

“Komen jullie nog eens terug?”, vraagt onze taxichauffeur wanneer hij ons de volgende ochtend vroeg afzet op het vliegveld van Tirana.

Stefan en ik kijken elkaar aan.

Absolutely!”, roepen we in koor.


Tekst: Matthijs van Laar
Fotografie: Matthijs van Laar & Stefan Koers