Reisverhaal Kaiserwetter in het Stubaital

Een week vol lekker, duurzaam eten, heerlijk weer, gezelligheid en eindeloze bergen. Dat is in een notendop een huttentocht in het Stubaital langs de Franz-Senn-Hütte en de Neue Regensburger Hütte. Met goed gevulde rugzakken, stevige bergschoenen en schoorvoetend ook met wandelstokken trotseer ik met mijn moeder, tante en broer de bergen in het Stubaital.

Gepubliceerd op: 7 februari 2024

Wennen aan de hoogte

De week begint in een heerlijke, authentiek Oostenrijkse boerderij, waar de eigenaresse ons hartelijk welkom heet. Ze zet ons de twee dagen dat we hier zijn een ontbijt voor waar je u tegen zegt: perfect als basis voor de lange tochten die we voor de boeg hebben.

We beginnen met een tocht vanaf het bergstation van de Kreuzjochbahn in het natuurgebied Schlick 2000. De kabelbaan wordt in de winter veel gebruikt door skiërs, maar nu lopen wij over de groene pistes tussen de koeien. Bepakt met alleen een dagrugzak overwinnen we gestaag de hoogtemeters die de rondwandeling voor ons in petto heeft. We nemen de tijd om aan de hoogte te wennen en genieten van een heerlijke Apfelstrudel en Skiwasser (limonade) bij de Starkenburger Hütte, waar we prachtig uitzicht hebben over het Stubaital.

Op naar de eerste hut

Na de eerste dagtocht hebben we goede moed dat we de komende dagen ook aan kunnen. En maar goed ook, want onze bergtocht begint. We worden door een taxichauffeur van weinig woorden afgezet op de parkeerplaats van Seduck, een gehucht met een paar huizen in het Oberbergtal. Het Oberbergtal is een zijdal van het Stubaital, waar je ver van de mensenmassa bent en de rust van de eeuwige bergen in je op kunt nemen.

De weg langs de Oberbergbach, de rivier door het dal, is volledig afgezet door het noodweer van de week ervoor. Delen van de weg zijn weggeslagen en alleen de boeren met hun tractors kunnen de geïmproviseerde keienweg trotseren. Dat is geen probleem voor ons, de tocht zou wel erg kort zijn geweest als we aan het einde van het dal begonnen waren. Ook zorgt het starten in Seduck ervoor dat we uitgebreid kunnen genieten van dit idyllische dal.

De Oberbergbach staat hoog en als we de schade van het noodweer zien, zijn we maar wat blij dat dit weer ons bespaard gebleven is. Bij een van de overgangen over de ‘beek’ zien we een rooster met dikke stalen spijlen, waar een rotsblok korte metten mee gemaakt heeft. Even loopt er een rilling over mijn rug, maar ik vergeet het natuurgeweld als we bij een oude schuur aankomen waar een familie marmotten woont. We staan even stil en uit het veld achter de schuur duiken nog meer marmotten op, die op hun gemak naar de schuur lopen en op een muurtje in de zon gaan liggen.

Onze tocht gaat verder: van een asfaltweg door een enkel gehucht, naar een grindweg langs de woeste beek, tot een smal bospad tussen de Alpenroosjes en bosbessenstruikjes de bergen in.

Dan komt dat geweldige moment dat we het doel voor de dag zien liggen: de Franz-Senn-Hütte. Wat ligt het daar prachtig, in het midden van het U-vormige dal, naast de Oberbergbach die hier als woest kolkende rivier naar beneden komt, met achter de hut de oprijzende bergen wiens namen ik nog niet ken. Door de vriendelijke alpenweides stijgen we de laatste meters naar de hut, waar we bijna de enigen zijn.

We hebben tijd voor een snelle lunch voordat we weer verder gaan. De Franz-Senn-Hütte is weliswaar de plek waar we overnachten, maar we willen nog verder, de Rinnensee bekijken. Mijn moeder en tante blijven achter, dus we kunnen alle onnodige bepakking afwerpen en bewapend met slechts een paar mueslirepen en genoeg water weer de bergen in trekken. Aangekomen bij het meer ontdekken we dat vandaag de zonsopgang hier de mooiste van het hele jaar was. Hebben wij weer, we zijn net een dag te laat. Aan de andere kant, zo redeneren we, zouden we toch niet vóór zonsopgang over de rotsblokken geklommen zijn om naar het meer te gaan. We leggen ons erbij neer dat we de zonsopgang gemist hebben en genieten van een welverdiende pauze met uitzicht op het pluizige, witte wollegras dat aan de rand van de Rinnensee groeit. We volgen dezelfde weg terug en binnen een oogwenk staan we weer bij de hut, waar we moe, warm en dorstig aan een van de houten tafels gaan zitten.

De zonnige start van onze huttentocht met de lekkere Strudels zet de toon voor de rest van de week. Elke dag heeft veel weg van de voorgaande dag: we wandelen, lunchen op de door de gletsjer afgesleten rotsen in de zon en komen bij de hut om in de schaduw te genieten van de rust, de ruimte en iets lekkers. Toch is elke dag anders, brengt elke dag nieuwe ervaringen en omgevingen met zich mee.

Spaar ze allemaal

In het Stubaital kun je niet alleen heerlijk ontspannen wandelen, je kunt er ook een wedstrijd van maken. Je kunt er namelijk van alles ‘sparen’: bergtoppen, bergmeren en zogenoemde ‘natuurkijkplaatsen’. De echte fanatiekelingen sparen de Seven Summits: de zeven mooiste bergtoppen in het Stubaital. Wie alle stempels op de bergtoppen verzameld heeft, krijgt bij de VVV een T-shirt en mag op de ‘Wall of Fame’.

Wij zien deze bergtoppen alleen op bordjes staan en focussen ons op het wandelen naar de bergmeren. Na de Rinnensee zien we nog de Turmferner See en de Falbesoner See. Waar de Rinnensee vooral speciaal is als je de context kent (dit meer is na 10.000 jaar niet onder de grond verdwenen, zoals zoveel bergmeren, maar heeft nog steeds een open oppervlakte), zijn de Turmferner See en de Falbesoner See een stuk spectaculairder.

De Turmferner See is een prachtig turquoise meer dat alleen na een lange tocht te bereiken is. We wandelen door het nog in schaduwen gehulde Oberbergtal, langs de ruige Oberbergbach, die hier inmiddels Alpeiner Bach heet. Door de grazige weides achter de Franz-Senn-Hütte wandelen we naar een picknicktafel omgeven door Tibetaanse gebedsvlaggetjes, waar we pauze houden. Al snel wordt het terrein een stuk ruiger als we over de morenewal lopen en vervolgens onze weg zoeken over een steile puinhelling.

Mijn moeder, een soort wandelende encyclopedie, vertelt ons tijdens de wandeling over het ontstaan van een dal als dit. Ze wijst krassen aan op de rotsen die door stenen in de gletsjer eeuwen geleden ontstaan zijn toen de gletsjer zijn weg door het dal zocht. Ze vertelt ons hoe de kwartslagen ontstaan in de rotsen en op welke manier het eroderen van steen door water en door een gletsjer van elkaar verschilt.

Na de Turmferner See gaan we nog naar een laatste meer. Voor ons spant de Falbesoner See de kroon. Een korte wandeling vanaf de duurzame en volledig vegetarische Neue Regensburger Hütte voert ons door een verrassend moeraslandschap. Overal springen jonge kikkertjes voor ons uit, terwijl we proberen zo goed en zo kwaad als het kan op de stapstenen te lopen en niet per ongeluk in het kwetsbare moeras te belanden.

De paden zijn hier en daar kunstig verlegd met behulp van stenen en geschilderde rode stippen. Ook in het gebied achter de tweede hut heeft het noodweer namelijk flink huisgehouden: de rotsblokken waar we overheen klimmen, liggen er duidelijk nog niet lang. Als we naar boven kijken, zien we dat een deel van de bergwand is weggeslagen en nu verloren in het dal ligt.

Het meer zelf is een oase van rust. De Falbesoner See ligt verstopt in een kom, met een steile rotswand aan één zijde die in het Noorse fjordenlandschap niet had misstaan. Mijn broer stapt heel dapper nog in het meer, dat heerlijk koud is na de verzengende hitte van de dag. Iets aan het meer zorgt ervoor dat we niet weg willen. De hut is dichtbij, dus we hebben geen haast en de ongereptheid van het meer brengt een kalmte met zich mee waar we nog geen afscheid van willen nemen.  

Schapen, overal schapen

De Neue Regensburger Hütte is een hut zoals ik die nog nooit gezien heb, modern en traditioneel tegelijkertijd. Er is een nieuw gedeelte aan gebouwd met licht hout, zonder tierelantijntjes en met een strakke badkamer. Er wordt wel naar goed Oostenrijks gebruik Knödel geserveerd, maar dan vegetarisch, net als de rest van het eten, dat varieert van salade met focaccia tot geroosterde bloemkool en heerlijke curry’s. Wij overnachten in een kamer in het oude gedeelte, waar de planken van de donkere houten vloer kraken onder onze voeten en de kamer nog voorzien is van de traditionele houtsnijwerkjes.

In de Neue Regensburger Hütte zitten we op de eerste rij voor een fantastisch schouwspel: de schapen worden van de bergen gehaald en naar het dal gedreven voor het winterseizoen. We verblijven twee nachten in de hut en ontdekken dat dit een bijzonder moment is. De herders hebben hun eigen hokje in de hut, waar ze overnachten als ze de schapen tot net onder de hut gedreven hebben.

Ik heb net even in het meertje naast de hut gezwommen en lig op te warmen in de zon als ik een verloren schaap met een lammetje onrustig over de heuvel voor me zie lopen. Ik maak me zorgen dat dit ene schaap achtergelaten is en dat ze nooit meer het dal zal bereiken met haar kleine, maar dan komt er een herder met een hoed en een lange stok naar het schaap gelopen. Het schaap is dwars en uiteindelijk zijn er zeven herders voor nodig om het dier over de brug te krijgen en samen te voegen met de rest van de kudde. Hoe meer we zien, hoe spannender het wordt: we moeten weten hoe het afloopt!

De rest van de middag spenderen we voor de hut, uitkijkend over het dal waar het gros van de schapen zich nu bevindt. De zon begint al te zakken, maar overal zien we nog groepjes schapen hoger in de bergen staan. Krijgen ze alle schapen nog beneden voordat het donker wordt? De herders zijn ontzettend goed in hun werk, want het ene na het andere schaap wordt van de berg geplukt en naar de kudde gedreven. Er moet nog één schaap naar beneden, een schaap dat al een halfuur achter me aan een paal vastgebonden staat. Het dier heeft zich verwond en kan niet meer naar beneden lopen. De jongste herder laat de goederenlift naar boven komen, stapt in en neemt het schaap op schoot, waarna ze vredig naar het dal vertrekken. Een hartverwarmend einde van een dag vol indrukken. 

Door: Iris Möller
Foto's: Iris Möller